iets van zeggen

Gisteravond in de trein zat een man te bellen in de stiltecoupé.

Er iets van zeggen. Niets van zeggen. Er iets van zeggen. Niets van zeggen. Er iets van zeggen. Niets van zeggen. Er iets van zeggen. Niets van zeggen.

Vijf meter verderop op het balkon was iemand Tiktok-filmpjes aan het kijken. Het geluid van startende en stoppende videootjes tetterde dwars door het klapdeurtje heen. Stil was het hier sowieso niet.

Er iets van zeggen. Niets van zeggen. Er iets van zeggen. Niets van zeggen. Er iets van zeggen. Niets van zeggen. Er iets van zeggen. Niets van zeggen.

De bellende man sprak een taal die ik niet kende. Misschien moést hij bellen, was er sprake van een medisch noodgeval. Weliswaar leunde hij ontspannen achterover, waren zijn ogen droog en verhief hij zijn stem niet, maar dat zegt niet alles.

Er iets van zeggen. Niets van zeggen. Er iets van zeggen. Niets van zeggen. Er iets van zeggen. Niets van zeggen. Er iets van zeggen. Niets van zeggen.

Beide scenario’s wisselden stuivertje. Steeds woog ik de plussen en minnen tegen elkaar af. Uiteindelijk een verlossende stem door de intercom: ‘Amsterdam Centraal. Station Amsterdam Centraal.’

Volgende
Volgende

zinderende, zalvende val