wat ik
Wat ik deed. Wat ik had moeten doen.
Wat ik niet deed. Niet had moeten nalaten.
‘Hou dit onder ons’ – je mond voorbij praten.
Wat ik zei, hoé ik het zei. Hoe ik het ook had kunnen zeggen.
Wat ik verzweeg: gewoon op tafel had moeten leggen.
Niets gedaan – in dromen bergen verzet.
Wat ik had kunnen worden. Versus wat ik werd.