ieders dag

Ik ging in de trein niet eens meer doén alsof ik een boek las. Hield niet eens een boek meer in mijn hand. Keek óók niet op mijn telefoon: content werd ververst zonder dat ik er erg in had. Voor mijn part brandde as we speak zowel het Kremlin als the White House af.

Mijn oog viel in de coupé op een bordje: ‘Een praatje of een glimlach maakt ieders dag.’ Niet ieders dag, dacht ik. Niet de mijne. Want als iemand naar me lacht, denk ik dat ie iets van me wil. Geld. Mijn handtekening onder een kansloze petitie. Iets met seks.

En waarover zou ik een praatje moeten maken? Over de trein, dat ie rijdt? Dat buiten het landschap aan ons voorbijtrekt? Of eigenlijk andersom: wij bewegen, het landschap laat het zich overkomen.

Vorige
Vorige

het geheim van de sleutel

Volgende
Volgende

2026